Een tijd geleden gaf ik een lezing over de Fantastic Beasts and Where to Find Them, omdat de tweede film verscheen. De eerste film was een gigantisch succes, en daarom was het de bedoeling dat ik iets over die films ging vertellen. Dat vond ik echter niet zo leuk; in plaats daarvan richtte ik me op het bronmateriaal, het kleine boekje Fabeldieren & waar ze te vinden dat Rowling ooit voor het goede doel schreef. Het leukste aan dit boek vond ik de introductie, die over classificatie en het verschil tussen dieren en wezens. Ik realiseerde me dat mensen altijd al orde hebben willen scheppen en daardoor alles een naam geven, maar soms blijkt dit onmogelijk. Ben je benieuwd naar wat onze fascinatie voor classificatie over ons zegt? Lees door!

In het Oude Griekenland, meer dan tweeduizend jaar geleden, had Plato een idee. Hij wilde bepalen wat precies de Mens was en, na lang wikken wegen, kwam hij tot de volgende definitie: “De Mens staat rechtop, zonder veren, wat hem onderscheidt van andere dieren.” Zijn collega-filosoof vond dat echter niet specifiek genoeg. In plaats van dit hem gewoon te vertellen, reisde hij af naar Athene en liet hem een geplukte kip zien. Triomfantelijk zei hij dat hij Plato’s Mens in zijn hand had. Het was duidelijk dat Plato’s definitie niet juist was. Daarom dacht hij alweer hard na, tot hij uiteindelijk zijn tweede definitie bedacht: “De Mens staat rechtop, heeft twee benen en geen veren, en heeft brede, platte nagels.” Voilá! Maar is dit beter?

Newt Scamander schrijft over een vergelijkbaar probleem in zijn indroctie van Fabeldieren en Waar Ze te Vinden. In de veertiende eeuw begon de Toverwereld een stuk georganiseerder te worden, en bepaalde men dat er een verschil moest zijn tussen wezens en dieren. Wezens, zeiden zij, “zijn schepsels die wettelijke rechten en een plek in het bestuur van de magische wereld verdienen,” terwijl dieren hier geen recht op hebben. Zij bedachten de volgende definitie: een wezen is elk lid van de magische gemeenschap dat op twee benen loopt (de oppertovenaars uit de dertiende eeuw zullen nooit hebben toegegeven dat ze goed naar Dreuzel Plato gekeken hebben). Vervolgens nodigden ze elk tweebenig wezen uit dat ze maar konden bereiken, zodat ze konden vergaderen over de organisatie van de Toverwereld. Maar, zoals je misschien al verwacht, ging dit niet zo gladjes als ze hadden gehoopt. Lees het boek gerust voor de hele beschrijving, maar hier is een korte samenvatting: heksen en tovenaars hielden zich meer bezig met het buitenhouden van vernielzuchtige trollen dan overleg – en tegelijkertijd probeerden zij er ook nog voor te zorgen dat niet al hun kinderen opgegeten werden door andere wezens. Met al het geschreeuw, gekrijs, gekreun en gesmak van alle schepsels groot en klein was het onmogelijk om nieuwe wetten te bedenken. Het was duidelijk dat er een nieuwe definitie moest komen, gezien het feit dat een schepsel twee benen had geen garantie was dat het zich bewust was van magische zaken, laat staan dat hij erin geïnteresseerd was.

Na een tijdje besloot men dat ze zich niet langer zouden richten op de hoeveelheid van de aspirant-wezens. Daarom hadden ze de volgende definitie bedacht: Wezens zijn de menselijke taal machtig. Ze wisten zeker dat ze nu een succesvollere definitie hadden, aangezien dit in ieder geval een bepaalde intelligentie deed vermoeden. Helaas hadden ze geen rekening gehouden met de kobolden, die, als grap, een aantal trollen een paar woorden Engels leerden. Ze werden nogmaals toegestaan tot de vergadering, en deden wat ze het beste en het liefst deden: dingen kapotslaan. Net als de vorige keer waren ze ook nu niet in staat om wetten te schrijven. En dan kwamen er ook nog wat spoken langs (ze mochten de vorige keer niet langskomen omdat ze niet lopen, maar zweven) maar ze ging al snel weer teleurgesteld weg toen ze zich realiseerden dat tovenaars zich veel te veel richtten op levende dingen. Ten slotte weigerden de centaurs, die de vorige keer niet mochten komen maar dit keer wel uitgenodigd waren, te komen omdat hun vrienden de meermensen geen mensentaal spraken boven water. Dus, net als de vorige keer bleek er geen goede definitie bepaald worden, en was het enige discussiepunt dat er een nieuwe moest komen.

Eeuwen gingen voorbij, en nog steeds was er geen duidelijke onderscheiding tussen wezens en dieren. Tot, in 1811, een minister het volgende idee had met betrekking tot wat een wezen was: “elk schepsel dat voldoende intelligentie bezit om de wetgeving van de magische gemeenschap te begrijpen en om deel te nemen in de verantwoordelijkheid van het creëren van die wetten.” Eindelijk! Het leek erop dat er nu toch echt iets zou ontstaan. Toen een vergadering gepland was, leek het allemaal soepeltjes te gaan; veel schepsels die eerst geclassificeerd waren als wezen werden nu beest genoemd omdat ze te dom waren, en anderen, zoals de meermensen, waren nu geherdefinieerd als wezens, omdat ze tolken bij zich hadden. Alles leek goed.

Maar was dat het?

Nee! Sommige wezens pasten niet mooi in die duidelijke definities die de mensen bedacht hadden. Ten eerste waren er schepsels die duidelijk intelligent en de menselijke taal machtig waren, zoals de Acromantula, de Manticore, en de Sfinx. Echter, het was al snel duidelijk dat het een goed idee was om deze schepsels, met hun giftige klauwen of angels, or hun neiging om iedereen te vermoorden die hun raadsels niet begreep, niet uit te nodigen bij de vergaderingen. Daarom werden schepsels zoals deze simpelweg geclassificeerd als beesten, wat betekende dat ze rustig alleen gelaten konden worden en mensen niet gruwelijk vermoord werden. Een ander probleem was de weerwolf, aangezien ze net zo gevaarlijk waren als de hiervoor genoemde beesten zodra ze getransformeerd waren, maar die doodnormale mensen waren als er geen volle maan was. Er is nog steeds geen wet geschreven over wat er met weerwolven moet gebeuren.

Terwijl de heksen en tovenaars besloten over het lot van die schepsels, waren er twee soorten die de zaken in eigen handen namen. Meermensen en centaurs waren geclassificeerd als wezens, aangezien ze een rijke cultuur hadden en een geschiedenis die vele milennia terugging. Echter, zij bedankten vriendelijk en kozen ervoor om in plaats daarvan bekend te staan als beesten. Ze vonden mensen en hun wetten barbaars, en zouden er veel gelukkiger van worden als ze hun eigen zaken mochten regelen. De mensen gingen Hiermee akkoord, en hoewel er een Departement voor Centaurzaken in het Ministerie van Toverkunsten is, is er nog nooit een centaur geweest die zich bij dit loket aanmeldde.

Dus, hoewel de meeste schepsels makkelijk te classificeren waren als wezen of beest, waren er nog steeds wat losse eindjes. Wat mij het meest bijbleef toen ik die introductie van Fabeldieren en Waar Ze te Vinden las, was dat die drie definities wel heel duidelijk gebaseerd waren op menselijke waarden. De eerste poging was dat ze eruit moesten zien als mensen, de tweede keer dat ze hun taal moesten spreken, en de derde dat ze hun behoefte aan orde en wetten moesten begrijpen. En herinner je dat stukje nog dat schepsels wettelijke rechten “verdienen”? Wat betekent dat, dat je iets verdient? Verdienen beesten het dan niet? Ik begon me hier wat ongemakkelijk bij te voelen.

Alle schepsels zijn gelijk…?

En dit is waar het dan politiek wordt. Wezens hebben allemaal dezelfde rechten, toch? Laten we daar eens goed naar kijken. De drie belangrijkste wezens in de Harry Potterserie zijn mensen, kobolden en huiselfen (er zijn er meer, zoals vampiers, maar die laat ik nu buiten beschouwing). Ze zouden allemaal betrokken zijn bij de Toverwetgeving, maar dit is duidelijk niet het geval. Herinner je de Fontein van Magische Broederschap in de Hal van het Ministerie van Toverkunst? Het zou de harmonie tussen alle wezens uitbeelden, dus tussen heksen en tovenaars, centaurs, kobolden, en huiselfen.

Hoewel er nooit getwijfeld is aan de intelligentie van kobolden, is er wel gediscussieerd over hun loyaliteit. Kobolden staan bekend om twee dingen: de magische bank, en metaalbewerking. Bijna alle mensen hebben een bankrekening bij Goudgrijp. Er is wel een speciaal Departement voor Koboldzaken bij het Ministerie, wat laat zien dat heksen en tovenaars de regels bepalen, zodat ze niet te afhankelijk worden van kobolden. Ten tweede staan objecten gemaakt door kobolden bekend om hun kwaliteit en lange levensduur. Het zwaard van Godric Griffoendor was bijvoorbeeld gemaakt van koboldstaal, en het speelde een belangrijke rol in de strijd tegen Voldemort. Echter, in de boeken wordt duidelijk dat kobolden mensen niet zien als eigenaren van hun objecten, maar dat ze slechts toestaan om ze van hen te lenen (en, mochten ze toestemming hebben, dan doen mensen alsof dit niet zo is en houden ze gewoon). Mensen daarentegen denken dat ze deze objecten kunnen komen, en voegen ze vervolgens toe aan hun testament. Dit zorgt voor onvrede en spanning tussen de beide soorten, omdat ze het niet eens kunnen worden over wie nu de ware eigenaar is. De relatie tussen mensen en kobolden is nooit perfect geweest, maar over het algemeen hebben ze een vriendschappelijke, commerciële verhouding. Maar nog geldt het advies dat een mense nooit een kobold moet vertrouwen.

Huiselfen zijn weer een heel ander verhaal. Ze worden beschouwd als slaven door de meeste heksen en tovenaars, en het is belachelijk om te denken dat ze gelijkwaardig zijn. Pas in 1996 is er een wet opgesteld over het welzijn van huiselfen, om ervoor te zorgen dat ze goed behandeld werden. Dit is opvallend, want huiselfen dienden al vele jaren de magische gemeenschap. Huiselfen moeten doen wat hun eigenaren van ze vragen (en let op hoe huiselfen blijkbaar als eigendom beschouwd worden!), en als zij dit niet doen, moeten zij zichzelf zwaar straffen. Deze gang van zaken bestond al zo lang dat de grootste angst van vele huiselfen was dat ze zonder een baas zouden komen te zitten, aangezien het hun enige doel was om mensen te dienen. Ook waren de meeste heksen en tovenaars er zo aan gewend als huiselfen als minderwaardig te beschouwen, dat ze nooit bedacht hebben dat ze misschien wel aardig tegen ze konden zijn. Ik denk dat het overduidelijk is dat huiselfen nooit overwogen zijn om onderdeel te zijn van het bestuurd van de magische wereld – en als ze er waren, dan was het om aantekeningen te maken, of om eten te brengen.

En dus…

Concluderend kun je zeggen dat kobolden en huiselfen, ook al zijn ze geclassificeerd als wezens, niet dezelfde rechten hebben als mensen. Ze worden niet volledig geaccepteerd in de maatschappij omdat ze ofwel niet betrouwbaar zijn, of beschouw worden als minderwaardig. Mensen vinden zichzelf beter dan alle andere wezens, en hier maken ze geen geheim van. Hetzelfde geldt voor weerwolven (zoals, je kent hem misschien, Remus Lupos), of die andere schepsels die ik eerder genoemd heb: centaurs. Mensen blijven ze maar zien als ondergeschikt, wat duidelijk wordt uit hun classificatie uit de mid-jaren 1990, waarin staat dat ze over “bijna menselijke intelligentie” beschikken. Het is voor de centaurs een grove belediging, en zij zien, op hun beurt, zichzelf als duidelijk superieur. Is het daarom niet gewoon een feit dat alle schepsels zichzelf als de beste van allemaal beschouwen?

Ik weet niet of heksen en tovenaars zich er werkelijk bewust van zijn dat ze alle andere soorten discrimineren. Ik denk dat het een resultaat is van het feit dat ze zo gewend zijn aan hun eigen regels en tradities dat het een onderdeel van hun cultuur en identiteit is geworden. Laten we, tot slot, nog even teruggaan naar de Fontein van Magische Broederschap, dat alle wezens in pure bewondering laat opkijken naar een heks en een tovenaar. Toen Harry hier goed naar keek tijdens zijn bezoek aan het Ministerie, zag hij dat de mensen overduidelijk nep en veel te mooi waren, en realiseerde hij zich dat de kobold en de centaur nooit op zo’n manier naar mensen zouden kijken – alleen de huiself was goed getroffen; zij dienen nog steeds de mensen. Deze fontein is dus een metafoor voor wat ik hier duidelijk heb proberen te maken: hoewel er harmonie lijkt te zijn tussen alle wezens, en hoewel mensen anderen als gelijken lijken te beschouwen, is dit alleen maar schone schijn. Het maakt dus duidelijk niet uit als schepsels geclassificeerd worden als beesten of wezens; als ze maar menselijk zijn.

Vragen en discussiepunten:

  • Zou jij een betere definitie kunnen bedenken als je onderscheid wilt maken tussen beesten en wezens?
  • Denk je dat deze manier van classificatie ook gebeurt in onze eigen Dreuzelwereld? Hoe dan?
  • In het boek is Harry bevriend met huiselven en kan hij redelijk goed omgaan met Grijphaak. Wat zegt dit over Harry? En hoe bepaalt iemands opvoeding de manier waarop ze andere magische wezens beschouwen?
  • Newt Scamander wil beesten beschermen, terwijl andere heksen en tovenaars dit tijdverspilling vinden. Wat zegt dit over Newt?
  • “Als je wilt weten hoe een mens is, kijk dan naar hoe hij zijn ondergeschikten behandelt, niet zijn gelijken.” Hoe kun je deze uitspraak van Sirius Zwarts betrekken tot het probleem van classificatie?

Heb je vragen of opmerkingen over dit stuk? Laat gerust een opmerking achter! En vergeet me niet te volgen, zodat je altijd op de hoogte blijft van mijn laatste posts!

One response to “Fabeldieren of Fabelwezens: Over Classificatie in het Harry Potter-Universum”

  1. […] volgden nog een paar lezingen over Pullman en Harry Potter. Er volgde een Engelstalig blog. Helaas volgde toen Corona, waardoor er niet zoveel gebeurde. Een […]

    Like

Leave a reply to Hoe word je een professionele boekenwurm? – The Open Book Cancel reply

Trending